Veel mensen denken bij dementie meteen aan geheugenverlies. Dat is inderdaad een bekend signaal, maar dementie kan zich op veel meer manieren uiten. Vooral in het begin zijn de klachten soms subtiel, waardoor ze niet altijd direct worden herkend.

Dementie is geen enkele ziekte, maar een verzamelnaam voor meer dan vijftig aandoeningen waarbij de hersenen steeds minder goed functioneren. Dit kan invloed hebben op het geheugen, het denken, het gedrag en het uitvoeren van dagelijkse handelingen.
De bekendste vorm is de ziekte van Alzheimer. Een groot deel van de mensen met dementie heeft deze vorm. Toch kunnen de klachten per persoon en per vorm van dementie verschillen.
Waarom vroege herkenning belangrijk is
Dementie is een progressieve aandoening. Dat betekent dat de klachten in de loop van de tijd toenemen. Juist daarom is het belangrijk om signalen in een vroeg stadium serieus te nemen. Hoe eerder er duidelijkheid is, hoe sneller passende hulp, begeleiding en ondersteuning geregeld kunnen worden.
Meestal gaat het bij dementie niet alleen om vergeetachtigheid. Vaak ontstaan er ook problemen met taal, herkenning, concentratie of gedrag. Zo kan iemand moeite krijgen om woorden te vinden, gesprekken goed te volgen of dagelijkse situaties juist in te schatten.
In medische termen wordt soms gesproken over afasie en agnosie. Bij afasie krijgt iemand moeite met taal: begrijpen wat anderen zeggen of zelf goed onder woorden brengen wat hij of zij bedoelt. Bij agnosie lukt het minder goed om voorwerpen, geluiden of situaties te herkennen. Iemand weet dan bijvoorbeeld niet meer wat een bepaald geluid betekent.
Signalen van beginnende dementie
Vergeetachtigheid is een van de bekendste signalen. Denk aan afspraken vergeten, steeds dezelfde vragen stellen of spullen op vreemde plekken terugvinden. Toch hoeft vergeetachtigheid niet meteen dementie te betekenen. Het gaat vooral om klachten die vaker voorkomen en het dagelijks leven verstoren.
Ook veranderingen in taalgebruik kunnen opvallen. Iemand komt moeilijker uit zijn woorden, gebruikt verkeerde woorden of raakt de draad kwijt tijdens een gesprek.
Daarnaast kunnen stemmingswisselingen ontstaan. Iemand kan sneller boos, verdrietig, angstig, achterdochtig of in paniek raken, zonder dat daar een duidelijke reden voor lijkt te zijn.
Een ander signaal is verlies van initiatief. Iemand die vroeger actief en spontaan was, kan ineens passiever worden, meer twijfelen of onzeker reageren op gewone situaties.
Ook concentratieproblemen komen vaak voor. Het lezen van een krant of boek, het volgen van een televisieprogramma of het doen van administratie kan steeds moeilijker worden.
Soms verandert ook het uiterlijk of de persoonlijke verzorging. Iemand merkt bijvoorbeeld vlekken op kleding niet meer op of besteedt minder aandacht aan hygiëne dan voorheen.
In het huishouden kunnen eveneens problemen ontstaan. Denk aan bedorven eten in de koelkast, vergeten boodschappen, apparaten verkeerd gebruiken of eten laten aanbranden.
Ook ongelukjes in en om het huis kunnen vaker voorkomen. Iemand vergeet bijvoorbeeld het gas uit te zetten, laat water lopen of raakt sneller gedesoriënteerd.
Tot slot kan het onderhouden van sociale contacten lastiger worden. Iemand trekt zich terug, vergeet afspraken met familie of vrienden, of vindt gesprekken steeds vermoeiender.
Wanneer meerdere van deze signalen regelmatig voorkomen, is het verstandig om contact op te nemen met de huisarts. Die kan beoordelen wat er aan de hand is en zo nodig verder onderzoek inzetten.




